Emotie

Ik wist niet dat het een specialisme was, maar het bestaat: emotiepsycholoog. Een vertegenwoordiger daarvan, Ad Vingerhoets, mocht in de Volkskrant van afgelopen donderdag zijn commentaar geven op diverse items uit het nieuws. Natuurlijk hoorden de verdwijning van en de zoektochten naar die twee broertjes daar ook bij. Waar halen de media, of dat nu de schrijvende of de audiovisuele zijn, toch altijd weer de deskundologen vandaan die bereid zijn voor ons, onnozele lezers/kijkers/luisteraars, de nodige open deuren in te trappen? ” De vader heeft de moeder volgens mij zo willen treffen, door de jongetjes onvindbaar te maken.” Het is het zoveelste ‘familiedrama’: ouders raken van elkaar vervreemd, gaan uit elkaar en de kinderen verblijven bij de moeder. Vader mag ze af en toe zien. Hij houdt natuurlijk heel veel van zijn nageslacht, maar als ze niet constant bij hem kunnen zijn, dan ook niet bij ‘haar’. Ik durf de stelling aan dat zo’n man veel meer van zichzelf houdt dan van zijn kinderen. Hij is er niet om zijn kinderen op te voeden tot goed functionerende volwassenen, zij zijn er om aan te tonen dat hij een echte man en vader is.

Dan zijn er de ‘zoekers’, die om het hardst verklaren dat zij ook kinderen hebben en dus zo goed begrijpen wat de moeder doormaakt. Ik heb geen kinderen. Begrijp ik er daarom niets van? Ben ik daarom niet in staat tot empathie? Voel ik daarom niet de behoefte om mee te zoeken in de bossen? Ad Vingerhoets weet hoe het zit: “Mensen hebben een enorm gevoel van machteloosheid en willen daar iets aan doen. Ik vind het mooi dat mensen het met zo’n initiatief kunnen kaderen, een plek kunnen geven.’” Ook weer van die modieuze prietpraat. Als je vroeger ergens mee zat, deed je er iets aan, of niets natuurlijk. Tegenwoordig moet je zoiets “kaderen”. Maar waar haal je ineens dat kader vandaan? Moet je voor iedere mogelijke emotie een kader voorhanden hebben? Weet je er anders geen plekje aan te geven?

Kunnen we niet meer zonder op nationaal niveau beleefde emoties? Op 30 april konden we ons weer eens Nederlander voelen, wat dat dan ook voor gevoel moet zijn. Gisteravond waren ‘we’ reuzeblij dat Anouk toch maar mooi bij de eerste tien zat. Nou, ze kon mij Teddy Scholten en Corry Brokken niet doen vergeten.

Echt, ik onderga ook emoties. Ik vind het ook erg dat die jongetjes verdwenen zijn en hoogstwaarschijnlijk dood, al durven de media dat nog nauwelijks hardop te schrijven of uit te spreken. Maar hoe kunnen we het dan een plekje geven? Moeten we daarmee wachten tot de stille tocht, waar we een knuffel bij de vele andere kunnen leggen?

Evert

Second

”Ben jij gelukkig getrouwd? Ik ook.” Nee, dit is geen persoonlijk vraag. Dit is een citaat. Die tekst komt uit een tv-commercial van http://www.secondlove.nl. Ik ben dus maar eens naar die site toegegaan. Die begint met de tekst: ”Flirten is niet alleen voor singles.” We hebben hier te maken met een ‘datingsite’ voor mensen die al een relatie hebben, al of niet een plezierige. Zowel mannen als vrouwen wordt de vraag voorgelegd: ”Heb je dat ook wel eens dat je denkt aan vreemdgaan?” Bij de mannen staat verder: ”Ontmoet hier je date. …” Bij de vrouwen staat: ”Vind hier een spannende date …… “ Bij de mannen hoeft het dus niet spannend te zijn. Die zijn kennelijk, althans volgens de uitbaters van de site, al gauw tevreden.

Bij de vrouwen staat er bij: ”Second Love controleert persoonlijk alle profielen zodat je alleen serieuze mannen vindt in ons dating-bestand.” Zij die behoort tot de 72% van vrouwen die ”vindt dat passie en aandacht de dingen zijn die ze het meest missen in hun huidige relatie” kan dus gerust zijn. Het gaat de mannen die zich ingeschreven hebben niet alleen maar om een simpele wip.Hoewel, 67 % vindt dat ”vreemdgaan een geweldige ervaring” is terwijl 95% vindt dat flirten helemaal geen vreemdgaan is

Ik ben single en behoor daardoor niet tot de doelgroep van secondlove.nl. Ik kan er dus, denk ik, met enige objectiviteit naar kijken. Ik ben ruimdenkend en niet gauw geneigd tot moraliseren. Ik ben nooit een flirterig type geweest, daar was ik gewoon veel te onhandig voor. Van vreemdgaan is het dus ook nooit gekomen, maar iedereen die dat wel wil doen heeft mijn zegen. Maar digitaal flirten? Ik ben geen uitgesproken romanticus, maar flirten langs elektronische/digitale weg zou ik niet direct zien zitten. Het lijkt me ook niet het ultieme doel van (deelname aan) Second Love. Dat zal toch het vreemdgaan zijn, seks met een ander dan je partner. Ik zeg het nog maar eens: ga vooral je gang, als je daar zo’n behoefte aan hebt, maar realiseer je dan wel dat je eigenlijk niets anders doet dan het bezoeken van een virtueel bordeel, waarin zowel ‘aanbieders’ als gebruikers vrijwilligers zijn. Ik wil me niet met je relatie bemoeien, maar vraag je, voordat je met Second Love in zee gaat, wel even af hoe ‘open’ die is. Stel je daarbij ook even voor dat jouw partner jouw ‘browsegeschiedenis’ en/of je Postvak IN en Postvak UIT kan bekijken. De spanning mag er dan een beetje van af zijn en misschien vind je wel dat er sprake is van enige sleur, maar zeg nou eens eerlijk: ben je nou op zoek naar ‘second love’ of naar ‘more sex’? Hoe zou je reageren als je ontdekt dat jouw partner zijn/haar vreemdgaan digitaal aan het voorbereiden is?

Ik zou geen partner zoeken via een datingsite, al weet ik dat dit tot een succesvolle relatie kan leiden. De Zuster en Vlam zijn daar een sprekend voorbeeld van, maar bij flirten en vreemdgaan heb ik toch iets meer sprankelends voor ogen dan een contact via een website en als ik een vrouw was zou ik ieder contact via Second Love met zeer veel wantrouwen benaderen.

Evert

Crematie

Afgelopen donderdag woonde ik de crematie bij van mijn schoonmoeder, die op 99-jarige leeftijd was overleden. Om redenen die ik hier niet uit de doeken ga doen had ik al jaren geen enkel contact met haar gehad en het zal dus wel duidelijk zijn dat ik niet vreselijk verdrietig gestemd naar de crematie ging. Toch werd ik op diverse momenten emotioneel geraakt.

Mijn schoonmoeder was rooms-katholiek, maar er was geen kerkdienst. Er was wel een oude pastoor, die de laatste tijd regelmatig bij mijn schoonmoeder op bezoek kwam. Hij hield een standaardpraatje. (De teksten die hij uitspraak waren op schrift gezet en uitgedeeld. Op diverse plaatsen stond “h/z”, dat naar gelang van de overledene kon worden uitgesproken als “haar” of “zijn”.) In zijn ‘preek’ refereerde hij herhaaldelijk aan de overleden dochter van de overledene, met wij zij nu verenigd zou worden. Die overleden dochter was Boukje, mijn vrouw. Ik ben volstrekt ongelovig en geloof dus niet dat Boukje nu samen met haar moeder in de hemel is. Ik vond het bijna ongepast dat die pastoor Boukje, van wie hij de naam waarschijnlijk pas gehoord had bij de voorbereiding van de crematie, noemde onder de vermelding dat zij in de hemel zou zijn. Boukje geloofde daar zelf ook niet in.

Na die pastoor heeft Sjouk nog wat gezegd. Zij is de tweelingzus van Boukje. Uiteraard noemde zij ook haar tweelingzus en was daarbij zeer geëmotioneerd, wat bij mij een soortgelijke reactie losmaakt. Als er iemand is die Boukje nog altijd net zo mist als ik, is zij het wel. Ruim eenenvijftig jaar hebben zij een zeer hechte band gehad. Dat is zo’n twintig jaar langer dan mijn band met Boukje.

Naast Sjouk, die ik diverse keren per jaar zie, heb ik nog een schoonzus en zwager, die ik ook al geruime tijd niet gesproken had, al heeft dat geen welomschreven reden. Tegen mijn verwachting in (Ik zou het niet vreemd gevonden hebben als zij gezegd hadden ‘Wat doe jij hier ineens?’) zeiden zij en hun kinderen nadrukkelijk dat ze het plezierig vonden dat ik daar was. (Alleen Sjouk en haar man heb ik ooit verteld waarom ik geen contact meer met mijn schoonmoeder had.) Waarom was ik er dan eigenlijk? Ik ga nooit naar een begrafenis of crematie vanwege de overledene. Die weet immers toch niet of ik er ben. Ik ga erheen voor de overlevenden, in dit geval vooral voor Sjouk.

Evert

Commercie

”De dag brak aan met vuur en rook. Laag in het oosten waren zwarte wolkenstrepen als de rook van een zwarte brand.” Zo begint een passage in het eerste deel van de Nederlandse vertaling van ‘The Lord of the Rings’. Ik las die passage voor het eerst, omdat hij was afgedrukt in de Prismapocket van ‘De hobbit’, die ik een kleine zestig jaar geleden had aangeschaft en waarover ik zeer enthousiast was. Die passage uit ‘In de Ban van de Ring’ deed mij direct besluiten die boeken aan te schaffen. Ik beschik dan ook nog altijd over die eerste uitgave in drie gebonden delen. Inmiddels beschik ik over meerdere uitgaven, waaronder de Nederlandse vertaling in dundruk in één band en een Engelse uitgave in drie gebonden delen, met ‘goud op snee’.

Onder de lezers van dit blog zullen er vrij veel zijn – neem ik aan – die, al hebben ze de boeken niet gelezen, wel de drie films van LOTR hebben gezien. Die films heb ik intussen diverse malen gezien. Ik heb ze op dvd en bij een vriend heb ik ook wel eens de extended version op dvd gezien. Ik heb diverse films gezien, die gebaseerd zijn op door mij gewaardeerde boeken. Een film hoeft van mij niet per se de verhaallijn van het boek te volgen. Ik ken LOTR (de boeken) van begin tot eind en weet dus vrij goed wat niet in de film voorkomt en wat aan de film is toegevoegd. De toevoegingen vind ik niet storend, wel overbodig, omdat ze nauwelijks iets aan het verhaal toevoegen. Wat ik jammer vind is dat Tom Bombadil niet in de film voorkomt. In het verhaal is hij een bijzondere figuur, omdat hij de enige persoon in Middle Earth is op wie de Ring geen enkele invloed heeft.

LOTR wordt vooraf gegaan door ‘De hobbit’. Daarvan zijn/worden ook drie films gemaakt. De eerste is inmiddels op dvd verschenen. Drie films van één – niet eens zo dik – boek leek me wat veel. Dan zou er wel veel bij verzonnen moeten worden. Nou, dat hebben ze gedaan. Als je ‘De hobbit’ niet kent, vind je de film misschien best aardig. LOTR was, terecht, een groot succes. Dus maak je een ‘vervolg’. Ik neem aan om puur commerciële reden. Nu maar hopen dat ‘De hobbit’ net zo’n succes is. Kassa! Ik denk dat J.R.R. Tolkien (de auteur) zich in zijn graf zou omdraaien als hij zag wat ze van zijn verhaal gemaakt hebben. Ik zal de volgende twee delen niet aanschaffen. Geef mij het boek maar. Nee, doe maar niet, ik heb het al, in het Engels en het Nederlands.

Evert

Reizen

De afgelopen week heb ik weer eens gevlogen (in een vliegtuig): Amsterdam – Valencia en terug. Als ik een rangorde van vervoersmogelijkheden zou maken in de volgorde ‘minst aangename’ tot ‘meest aangename’, zou die er als volgt uitzien:
1. vliegtuig;
2. touringcar;
3. boot;
4. auto;
5. tram/metro/lijnbus;
5. fiets/trein (afhankelijk van de af te leggen afstand).

Touringcar en vliegtuig scoren vrijwel gelijk, maar de eerste heeft nog het voordeel dat hij tussentijds kan stoppen, zodat de passagiers even de benen kunnen strekken. Vliegen kan best aardig zijn als het gedaan wordt in een eenmotorig schroefvliegtuigje of een helikopter. Amsterdam – Valencia is een relatief korte vlucht (iets meer dan twee uur), maar ik neem toch vele keren liever de Intercity naar Groningen (reistijd twee uur en zeven minuten). Je hoeft dan ook niet al ruim vóór het vertrek aanwezig te zijn in verband met allerlei veiligheidsprocedures en in geval van vertraging (we vertrokken met een vertraging van drie kwartier uit Valencia) is een stationsrestauratie een veel aangenamer omgeving dan de vertrekhal van een vliegveld.

Een boot heeft als voordeel dat je je redelijk vrij kunt bewegen. Een nadeel, althans naar mijn smaak, is het uitzicht. Dat kan wellicht nog aardig zijn als de boot dichte onder een kust vaart, maar midden op zee is er toch weinig variatie. Een ander nadeel is de deining. Echt zeeziek ben ik sinds mijn zeer jonge jeugd niet geweest, maar erg lekker voel ik me toch nooit. Ik heb wel eens een tocht van een hele middag over de IJssel gemaakt. Die tocht kun je beter maken op een fiets over de dijk, want met zo’n boot schiet het niet op.

Ik heb maar heel weinig auto’s meegemaakt, waarin ik min of meer plezierig zat. Zelfs na een kort ritje in de stad heb ik pijn in mijn spieren na het uitstappen (en dat was al lang voordat ik de nadelige gevolgen van roken aan den lijve ging ondervinden). Het kost mij sowieso altijd een hoop moeite om uit een auto te komen en ik heb er altijd moeite mee de veiligheidsgordel goed vast te klikken. Zelfs als ik een rit over een lange afstand met een autobezitter kan meerijden, geef ik toch vaak de voorkeur aan de trein en laat ik mij hoogstens naar het station brengen. (Wat mij betreft is alles boven de 50 km een lange afstand.)

Het zal nu wel duidelijk zijn waarom ik nooit buiten een grote stad zou willen wonen. Je maag er al blij zijn als er één maal per uur openbaar vervoer is. En als het dan toch een grote stad moet zijn, dan gaat mijn voorkeur toch zeer duidelijk uit naar Amsterdam, waar alles binnen fietsbereik is, inclusief de stations in die gevallen waarin ik het platteland weer eens moet bezoeken

Evert