Koen schreef 2 weken geleden dit: je schrijft niet vaak over ‘vroeger’. Wat deed je in je vrije tijd als kind? Of blijft het bij paardrijden. Je woonde dicht bij het strand. Geen avontuurtjes in de duinen? Niet over je nare herinneringen van ex vriendjes. Meer over de lekkere spannende dingen die je hebt meegemaakt.
Het klopt dat ik niet veel vertel over mijn jeugd. Ik denk eerlijk gezegd ook niet dat het heel boeiend is om over het leven van een kind te lezen, of wel? Ik ben opgedroogd tot wie ik nu ben en de kleine Klief is allang niet meer.
Gelukkig niet.
Ik heb er veel moeite voor moeten doen om te worden wie ik nu ben.
We hebben namelijk een redelijk turbulente jeugd gehad, mijn broers, zus en ik.
Tuurlijk heb ik ook mooie herinneringen. Ik kan me er alleen niet veel van herinneren. Het zijn flarden.
Wat weet ik nog wel?
Die keer dat we van onze (stief)vader onze yoghurt met onze handen moesten opeten.
Of al die keren dat mijn kleine broertje alleen mee mocht spelen als hij zich verkleedde als meisje. We noemden hem dan Juultje Meestal was zhij de patiënt en lag broerlief in een jurk in bed. Helemaal ingepakt in verband. Zijn arm aan een infuus. De Smarties die we hadden gekregen, waren pillen. Hij mocht er uiteraard maar eentje per dag. Zus en ik vraten de rest op.
We speelden ook arabiertje op de hoop zand in de achtertuin, met lappen op onze hoofden als tulbanden.
Ik herinner me ook de slaapkamer die ik deelde met mijn 2 jaar jongere zusje. Zij was zó verschrikkelijk slordig, dat ik op een gegeven moment over het midden van de kamer, op de vloerbedekking, duct tape plakte zodat duidelijk was, wat haar en mijn helft was. Er stond zo ongeveer de doodstraf op, als zij haar spullen over die grens neerlegde.
Ik sliep op een hoogslaper en ons dak was niet geïsoleerd Ik ben een keer ‘s morgens wakker geworden dat mijn bed onder de stuifsneeuw lag.
Op de deur was Holly Hobby behang geplakt.
Achter de badkamer, onder het schuine dak, was een bergruimte waar mijn zus en ik uren hebben gespeeld met de Barbies.
Ik kan me herinneren dat ik op de overloop, waar zo’n 20 foto’s van broer, zus en mijzelf hingen, ik eens op alle gefotografeerde neuzen van mijn zus, rode papieren rondjes had geplakt, toen ze een keer een enorme puist op haar neus had. En dat ik in mijn broek pieste van het lachen, maar zij niet erg geamuseerd was.
Mijn broertje was ‘s morgens altijd erg vroeg wakker en besprong me altijd terwijl ik lag te slapen. Soms werd ik wakker omdat hij een zweetsok stijf over mijn mond en neus hield.
Maar meestal zet ik te lezen.
Ik verslond boeken. Ik kon me dan heerlijk terugtrekken in mijn eigen wereldje.
Onvervreemdbaar
Dit wordt ons niet ontnomen: lezen
en ademloos het blad omslaan,
ver van de dagelijksheid vandaan.
Die lezen mogen eenzaam wezen.
Zij waren het van kind af aan.
Hen wenkt een wereld waar de groten,
de tijdelozen, voortbestaan.
Tot wie wij kleinen mogen gaan;
de enigen die ons nooit verstoten.
— Ida Gerhardt —